Opleiding Rabo bank
Geplaatst: 21 apr 2010 21:14
Gisteren stond bij ons onderstaand artikel in de krant over de opleidings ploeg van de Rabo bank.
Egon van Kessel geeft hierin zijn visie, hoe denken jullie hier over?
" De Amstel Gold Race is
een andere wedstrijd dan Milaan-Sanremo, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix, maar aan
de conclusie die de Nederlandse renners zondag op de Cauberg moesten trekken, veranderde het
weinig. Net als in de andere voorjaarsklassiekers kwamen onze landgenoten er ook in Zuid-Limburgse
heuvels niet aan te pas. De negende plek van Karsten Kroon was al bij al nog een meevaller. In Milaan-
Sanremo (Terpstra 41ste), Gent-Wevelgem (Curvers 20ste), Ronde van Vlaanderen (Hoogerland
11de) en Parijs-Roubaix (Veelers 13de) haalde zelfs geen enkele Nederlander de top tien. Niet alleen de kille cijfers zijn zorgwekkend. Een aantal renners (Maaskant, Terpstra, Langeveld) van wie verwacht werd dat ze de sprong naar de wereldtop zouden maken, lijkt stil te staan in hun ontwikkeling.
Waren de jubelverhalen over de nieuwe, aanstormende generatie te optimistisch? Voormalig bondscoach Egon van Kessel vreest van wel. Aan talent is er in Nederland geen gebrek, zegt de Brabander. Er wordt volgens hem alleen verkeerd mee omgesprongen. „Als bondscoach heb ik altijd geroepen dat de Rabo-opleiding niet deugt. Ik heb daar toen een hoop gedonder mee gehad. Helaas blijkt nu dat ik gelijk had.” Te jong, te professioneel, te goed. Het is in een notendop de verklaring voor het feit dat beloftevolle renners zich bij de profs niet kunnen doorzetten, meent Van Kessel. Volgens de huidige ploegleider van de Cervélo-
vrouwenploeg wordt de opleidingsfase in Nederland te belangrijk gemaakt. „Grote renners als de gebroeders Schleck en Tom Boonen werden bij de junioren weggefietst door de Nederlanders. Als de
rollen bij de profs zijn omgedraaid, dan moet er in onze opleiding iets gigantisch misgaan”, zegt Van Kessel,
die het kind niet met het badwater wil weggooien.
Aan Robert Gesink kan het Nederlandse wielrennen nog veel plezier beleven, verwacht hij. „Robert is geen geboren winnaar, maar dat kan hij wel nog worden. Damiano Cunego heeft zich ook pas op latere leeftijd ontwikkeld van ronderenner tot een specialist van eendaagse wedstrijden.” De klasse van Lars Boom staat voor Van Kessel evenmin ter discussie. „Alleen kan Lars zich niet blijven verschuilen achter zijn leeftijd. Hij wordt dit jaar 25. Dat is niet meer zo jong. Ik stel me vragen als ik zie dat een sprinter als Theo Bos Parijs-Roubaix wel kan uitrijden en Boom blijkbaar niet.”
Over de overige Nederlanders is Van Kessel een stuk minder optimistisch. Maaskant, Terpstra en
Langeveld zijn in zijn ogen goede renners, maar geen kandidaat-winnaars in de grote klassiekers. Of het
opvallende profdebuut van Johnny Hoogerland een vervolg zal krijgen, is koffiedik kijken. Ook de toekomst
van Kai Reus en Thomas Dekker, supertalenten bij de beloften, is twijfelachtig, zegt Van Kessel. Reus verloor enkele seizoenen door een zware val en kampt nu met de ziekte van Pfeiffer. Dekker zit een dopingschorsing uit en moet nog maar zien dat hij een nieuwe ploeg vindt. De toekomst van het Nederlandse wielrennen ligt niet in hun handen, zegt Van Kessel, maar wel in die van Rabobank.
Zolang de bankiersploeg vasthoudt aan haar opleidingsmodel ziet hij de toekomst somber in.
Vooral psychologisch kleven er volgens Van Kessel veel bezwaren aan een systeem waarin renners al op jonge leeftijd onder grote druk moeten presteren. „Bij Rabobank voelen renners van jongs af aan druk op hun schouders. Wanneer ze overstappen naar de profs hebben ze hun mentale top al gehad. Erik Dekker zei na Parijs-Roubaix dat hij bij zijn renners een over-mijn-lijk-mentaliteit mist. Daar kan ik inkomen.” Een drastische ommezwaai is noodzakelijk. Van Kessel: „Als we op de huidige manier doorgaan, zal geen enkele Nederlander ooit nog een Pro Tour-klassieker winnen. Zelfs als we het roer omgooien, verwacht ik dat we pas tussen 2016 en 2018 weer zullen meetellen.”
Egon van Kessel geeft hierin zijn visie, hoe denken jullie hier over?
" De Amstel Gold Race is
een andere wedstrijd dan Milaan-Sanremo, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix, maar aan
de conclusie die de Nederlandse renners zondag op de Cauberg moesten trekken, veranderde het
weinig. Net als in de andere voorjaarsklassiekers kwamen onze landgenoten er ook in Zuid-Limburgse
heuvels niet aan te pas. De negende plek van Karsten Kroon was al bij al nog een meevaller. In Milaan-
Sanremo (Terpstra 41ste), Gent-Wevelgem (Curvers 20ste), Ronde van Vlaanderen (Hoogerland
11de) en Parijs-Roubaix (Veelers 13de) haalde zelfs geen enkele Nederlander de top tien. Niet alleen de kille cijfers zijn zorgwekkend. Een aantal renners (Maaskant, Terpstra, Langeveld) van wie verwacht werd dat ze de sprong naar de wereldtop zouden maken, lijkt stil te staan in hun ontwikkeling.
Waren de jubelverhalen over de nieuwe, aanstormende generatie te optimistisch? Voormalig bondscoach Egon van Kessel vreest van wel. Aan talent is er in Nederland geen gebrek, zegt de Brabander. Er wordt volgens hem alleen verkeerd mee omgesprongen. „Als bondscoach heb ik altijd geroepen dat de Rabo-opleiding niet deugt. Ik heb daar toen een hoop gedonder mee gehad. Helaas blijkt nu dat ik gelijk had.” Te jong, te professioneel, te goed. Het is in een notendop de verklaring voor het feit dat beloftevolle renners zich bij de profs niet kunnen doorzetten, meent Van Kessel. Volgens de huidige ploegleider van de Cervélo-
vrouwenploeg wordt de opleidingsfase in Nederland te belangrijk gemaakt. „Grote renners als de gebroeders Schleck en Tom Boonen werden bij de junioren weggefietst door de Nederlanders. Als de
rollen bij de profs zijn omgedraaid, dan moet er in onze opleiding iets gigantisch misgaan”, zegt Van Kessel,
die het kind niet met het badwater wil weggooien.
Aan Robert Gesink kan het Nederlandse wielrennen nog veel plezier beleven, verwacht hij. „Robert is geen geboren winnaar, maar dat kan hij wel nog worden. Damiano Cunego heeft zich ook pas op latere leeftijd ontwikkeld van ronderenner tot een specialist van eendaagse wedstrijden.” De klasse van Lars Boom staat voor Van Kessel evenmin ter discussie. „Alleen kan Lars zich niet blijven verschuilen achter zijn leeftijd. Hij wordt dit jaar 25. Dat is niet meer zo jong. Ik stel me vragen als ik zie dat een sprinter als Theo Bos Parijs-Roubaix wel kan uitrijden en Boom blijkbaar niet.”
Over de overige Nederlanders is Van Kessel een stuk minder optimistisch. Maaskant, Terpstra en
Langeveld zijn in zijn ogen goede renners, maar geen kandidaat-winnaars in de grote klassiekers. Of het
opvallende profdebuut van Johnny Hoogerland een vervolg zal krijgen, is koffiedik kijken. Ook de toekomst
van Kai Reus en Thomas Dekker, supertalenten bij de beloften, is twijfelachtig, zegt Van Kessel. Reus verloor enkele seizoenen door een zware val en kampt nu met de ziekte van Pfeiffer. Dekker zit een dopingschorsing uit en moet nog maar zien dat hij een nieuwe ploeg vindt. De toekomst van het Nederlandse wielrennen ligt niet in hun handen, zegt Van Kessel, maar wel in die van Rabobank.
Zolang de bankiersploeg vasthoudt aan haar opleidingsmodel ziet hij de toekomst somber in.
Vooral psychologisch kleven er volgens Van Kessel veel bezwaren aan een systeem waarin renners al op jonge leeftijd onder grote druk moeten presteren. „Bij Rabobank voelen renners van jongs af aan druk op hun schouders. Wanneer ze overstappen naar de profs hebben ze hun mentale top al gehad. Erik Dekker zei na Parijs-Roubaix dat hij bij zijn renners een over-mijn-lijk-mentaliteit mist. Daar kan ik inkomen.” Een drastische ommezwaai is noodzakelijk. Van Kessel: „Als we op de huidige manier doorgaan, zal geen enkele Nederlander ooit nog een Pro Tour-klassieker winnen. Zelfs als we het roer omgooien, verwacht ik dat we pas tussen 2016 en 2018 weer zullen meetellen.”