In augustus vorig jaar kondigden de KNWU, NTFU en VeiligheidNL aan onderzoek te gaan doen naar fietsongevallen onder sportieve fietsers. Wat houdt dat onderzoek in en hoe denken de organisaties de resultaten te kunnen gebruiken om ongevallen te voorkomen?

Vallen is met afstand het vervelendste aspect van fietsen en helaas ook iets redelijk algemeens. In wedstrijden is het door alle stress (naar voren, naar voren!) min of meer onvermijdelijk, maar ook tijdens ontspannen, competitievrije ritten gebeurt het veel vaker dan we zouden willen. Als wedstrijdfietser viel ik pakweg twee keer per jaar, maar daarna was het helaas niet helemaal afgelopen met het buitelen en ging ik alsnog zo ongeveer jaarlijks onderuit met de racefiets. Steeds had dat te maken met een combinatie van onoplettendheid en oneffenheden in het wegdek: een slecht zichtbare ribbel in het asfalt, een opstaand kantje van een betonplaat, de handen te los aan het stuur, te weinig focus – en bam.

Ook mijn laatste val met de mountainbike kan ik me goed herinneren. Door een dik bladerdek werd een klein maar venijnig boomstronkje op het MTB-parcours van Zeist volledig aan het zicht onttrokken en hop, daar lag ik met mijn buik plat op de grond. Gelukkig waren de bladeren lekker zacht, maar vaak genoeg loopt het minder goed af.

Droevige koploper

Je kunt wielrennen en mountainbiken al iets minder gevaarlijk maken door goed op te letten en je stuur stevig vast te houden, maar hoe dan ook is het risico op ongevallen met nare gevolgen relatief hoog, zo blijkt uit onderzoek van VeiligheidNL. Een analyse van letselcijfers die het kenniscentrum voor letselpreventie afgelopen jaar maakte (Sportblessures in Nederland. Cijfers 2023) stemt niet bepaald vrolijk: als het gaat om ongevallen die leiden tot een bezoek aan de Spoedeisende Hulp (SEH) scoren wielrennen en mountainbiken verontrustend hoog.

In de ranglijst op basis van absolute aantallen vinden we wielrennen en mountainbiken ex aequo terug op plek zes (3.200). In de ranglijst op basis van het aantal SEH-bezoeken per 1000 sporturen ziet de wereld er nog minder rooskleurig uit: hier is mountainbiken de droevige koploper (0,22) en staat wielrennen op plek vijf (0,081). In 2022 was bij mountainbikers een val in 95 procent van de gevallen de reden voor een bezoek aan de SEH, bij wielrenners was dat jaar een val in 89 procent van de gevallen de oorzaak.

Reden tot zorg, zou je zeggen, en zo voelen ze dat ook bij de NTFU en KNWU. De organisaties kondigden in augustus 2024 aan samen met VeiligheidNL onderzoek te gaan doen naar fietsongevallen en de achtergrond daarvan. Het idee: hoe meer er bekend is over de achtergrond van fietsongevallen, hoe gerichter er gezocht kan worden naar oplossingen, zegt Erik Tolboom, projectcoördinator namens de NTFU. “We komen als fietssporten altijd hoog in die lijsten van VeiligheidNL en dat willen we natuurlijk heel graag veranderen. Dan is het belangrijk om de achtergrond van die ongevallen zo goed mogelijk te kennen.”

“We weten bijvoorbeeld wel of een fietser die op de SEH komt een wielrenner of mountainbiker is, maar niet wat de aanleiding van het bezoek is geweest, of de fietser een geoefende of ongeoefende fietser is en of hij meedeed aan een wedstrijd, toertocht of in zijn eentje fietste. Er ligt dus nog een berg data onder die aantallen SEH-bezoeken. En daarnaast – want de cijfers van VeiligheidNL zijn alleen van de SEH – gaat in het merendeel van de fietsongevallen de betrokkene naar de huisartsenpost of gewoon naar huis. Van die ongevallen hebben we geen data en die willen we wel weten.”

Vragenlijst

Het plan is dus dat de KNWU, NTFU en VeiligheidNL zoveel mogelijk data gaan verzamelen over fietsongevallen – of dat nou bij wedstrijden, toertochten, clubritten of individuele ritten is, binnen of buiten clubverband. Hoe? Met een vragenlijst die naar verwachting bij de start van dit wegseizoen online komt. Samen hebben de organisaties een breed bereik binnen de gehele fietssport – de NTFU in de toerwereld, de KNWU in de wedstrijdsport – en zo moeten veel fietsers bereikt kunnen worden. Zeker de toertochten kunnen waardevolle data opleveren, denkt Tolboom.

“Wanneer je nu een toertocht rijdt, krijg je na afloop een mail met het verzoek om een evaluatie van die tocht in te vullen. Dan is het niet zo moeilijk om ook te vragen of de fietser in kwestie betrokken is geweest bij een valpartij, en zo ja, of hij die vragenlijst wil invullen. Verder komt er een online meldpunt waar mensen hun ongeval kunnen registreren en willen we een mailing uit doen gaan met de vraag of mensen de laatste twee of drie jaar betrokken zijn geweest bij een ongeval en wat daar de achtergrond van was. Op die manier willen we zo snel mogelijk een actueel beeld te krijgen van de situatie.”

Via de toertochten hoopt de NTFU ook een groot deel van de niet in verenigingsverband rijdende fietsers te bereiken – maar liefst 60 procent van de in totaal 900.000 wielrenners, mountainbikers en gravelaars in Nederland. Een ander deel van diezelfde grote groep hoopt de NTFU te bereiken via hun cursus Start2Bike, met jaarlijks zo’n duizend deelnemers.

“Dat is direct een mooi bruggetje naar de dingen die we al doen om de veiligheid van fietsers te verbeteren, met bijvoorbeeld Start2Bike en het kleurencodesysteem dat we aanbieden voor MTB-routes in Nederland. Dat zijn allemaal manieren waarmee we fietsers willen helpen hun vaardigheden te verbeteren en een inschatting kunnen maken of het niveau van een route bij ze past. Maar daarnaast zijn er natuurlijk nog genoeg fietsers die er zelf op uitgaan.”

Risicofactoren

Uiteindelijk moet een beter begrip van de oorzaken van ongevallen dus leiden tot een vermindering van het aantal ongelukken. Hoe we dat concreet voor ons moeten zien? Simpel: als bekend is wat de belangrijkste risicofactoren zijn, kunnen de fietsbonden en wellicht andere organisaties daar gericht mee aan de slag, zegt Tolboom.

“Een uitkomst kan bijvoorbeeld zijn dat veel valpartijen komen door gebrek aan vaardigheid. In dat geval zullen we meer moeten inzetten op techniektrainingen. Het kan ook zijn dat de infrastructuur een grote rol speelt: denk aan slecht verlichte fietspaden, gevaarlijke situaties met landbouwvoertuigen in de polder of grind in bochten. Samen met de Fietsersbond hebben wij bijvoorbeeld al al actie gevoerd tegen paaltjes op fietspaden en voor de verbetering van de veiligheid van dijkwegen. Als we weten waar de grootste risico’s zitten, kunnen we nog gerichter te werk gaan.”

Minder risico op valpartijen

Uiteraard ligt een deel van de verantwoordelijkheid ook bij de fietser zelf – bijvoorbeeld door zelf vaardigheidstrainingen op te zoeken. “Wat ik mooi vond aan dat rapport van VeiligheidNL is dat er ook wordt gewezen op het belang van zulke trainingen: als je de techniek beheerst, loop je een kleiner risico op valpartijen”, zegt Tolboom. Niks doen is in ieder geval geen optie. “Vallen hoort erbij, zeggen we met z’n allen, maar dat is eigenlijk een gek gezegde: het is gewoon zonde dat je door je sport met zwaar letsel in het ziekenhuis kan belanden terwijl dat misschien voorkomen had kunnen worden door aan je vaardigheden te werken of door infra-verbeteringen. Natuurlijk kun je het aantal ongevallen nooit op nul krijgen, maar we vinden wel dat dat aantal flink omlaag moet.”

Of het initiatief daarvoor zal zorgen, zal de tijd uitwijzen. Ondertussen houden we ons stuur weer extra stevig vast en speuren we met hernieuwde alertheid het wegdek af. Soms helpt een verhoogde bewustwording al heel aardig. Enne, mocht het binnenkort alsnog een keer fout gaan, dan weet je wat je te doen staat. Je maakt de fietswereld er wellicht weer wat veiliger mee.

Wil je de nieuwste editie van Fiets Magazine bestellen? Kijk dan hier.